EEN LIEFDEZUSTER


Toen zij in 't end de wereld branden zag,

vond zij in hare armen

de zoon uit vroegere droom waarvan

te wankel haar een waan genas.

Beschuttend boog zij zich, maar dan

afwerend haar erbarmen

nam hij naar 't heiligdom zijn keer

waaruit hij eens geboren was

en in zich hoorde zij zijn lach

"wij keren samen weer."


Toen liet zij zonder kommernis

tot wildernis

het al vergaan,

haar ging het niet meer aan.


***

Leiden, 1949.